2.28 uur. Ze wisselt haar high heels op de wc voor een paar suède schoenen met aanzienlijk lagere hakken. Een laatste ronde door de gangen van de Stadsschouwburg, een laatste keer de trap af. Het nummertje voor haar jas diept ze op uit een speciaal vakje in haar handtas. Buiten een rij taxi’s.
‘Mag ik wat vragen? Hoe duur zou het zijn naar Utrecht?’
Ze heeft een paar jaar geleden 49 euro betaald voor een nachtelijke rit van Utrecht naar Schiphol.
‘Honderd euro.’
Oei.
‘Valt daar over te onderhandelen?’
‘Hoeveel wil je betalen?’
‘Vijftig?’
‘Tachtig, lager ga ik niet.’
‘Zestig?’
‘Nee, mevrouw.’
‘Oké, bedankt.’
Vriendelijk knikt ze de chauffeur toe en begint te lopen, de Leidsestraat in. De trein gaat om 3.17 uur, tijd genoeg. De koelte van de nacht verwelkomt haar benevelde hoofd.
2.38 uur. Zo druk als ’t op het Leidseplein was, zo rustig is het nu. Her en der lopen nog wel wat mensen, samen of alleen. Sommigen wankelen meer. Het geroezemoes van het Leidseplein raakt op de achtergrond. Ze haalt met ferme stappen een man in, hij is kleiner dan zij en praat onverstaanbaar voor zich uit. Als hij haar opmerkt, versnelt hij zijn pas en komt naast haar lopen.
‘Zo laat… mooie stad… koperkleurige gewaden…hoe kan het, hoe kan het…’ Onverstaanbaar gebrabbel. Hoe komt ze van hem af? Ze zet er flink de pas in. De man naast haar houdt haar makkelijk bij. Hij kijkt haar van opzij aan. ‘Afspraak. Ik ga jou brengen. Vrienden.’
‘Nee hoor, dat hoeft niet.’
‘Gevaarlijk voor jou. Alleen. In de stad.’
Een man en een vrouw lopen haar tegemoet. Wit geblondeerde haren, veel make-up. ‘Wil je een snuif, schat?’ gilt de vrouw.
Ze schudt van nee, loopt door. Bij het passeren lacht de blondine haar kakelende lach. ‘Weet je het zeker?’
2.45 uur. De man heeft zijn arm door de hare gestoken. Ze doet alsof ze het niet merkt. Er is niemand op straat. ‘Afspraak. Zo naar rechts. Jij lief meisje.’
‘Ja ja, zal wel.’
Tachtig euro. Een rit naar Utrecht. Tachtig euro.
De Kalverstraat in. Niemand te zien. Dit is toch Amsterdam?! Waar zijn al die mensen?! Zijn arm omklemt de hare als een ijzeren beugel. Haar voeten doen pijn. De high heels dansen in het rugzakje bij elke dreunende stap.
Bij het volgende steegje sleurt hij haar mee aan zijn arm, een stinkende hand over haar mond. Hij ramt haar tegen een muur, een aardbeving dreunt door haar hoofd. ‘Je geld, waar is verdomme je geld,’ hijgt hij in haar oor. Een walm van alcohol en sigaretten. Ze ritst haar tasje open. Nog voor ze hem haar portemonnee kan geven, graait hij het ding er al uit. ‘Kutwijf. Kàkwijf.’ De tranen spuiten uit haar ogen, geluidloos. Als een grote, zwarte vlek ziet ze zijn vuist op haar afkomen.
Tachtig euro. Een rit naar…