
Een week later.
Peut: ‘Zo.’
Hij: ‘De kinderen zijn woest; ze voelen zich in de kou gezet. Hoe ik het in mijn hoofd haal om er met kerst niet te zijn. Hét jaarlijkse familiefeest.’ Hij kijkt de therapeut niet aan, wipt ongeduldig met zijn voet.
Zij: ‘De kinderen willen perse naar Frankrijk, daar hebben ze hun vakantievrienden. Ze steigerden zowel bij Thailand, te lang vliegen en te heet, als bij Ierland, te saai en te koud. Kortom, ze weigeren om mee te gaan. De sfeer is niet om te harden.’ Tranen springen in haar ogen. ‘We waren
zelf zo enthousiast vorige week,’ fluistert ze nog.
De goedbedoelende therapeut krabt aan zijn kin en haalt diep adem.
‘Jongens, dit is even een lastige fase voor jullie achterban. Lijkt heftig, is het ook maar hou vol. Je kent intussen de regels van het slecht nieuws gesprek, is ’t niet? Klap uitdelen, klap opvangen. Gewoon de emoties laten uitrazen, er alle, ik herhaal, álle begrip voor hebben, beamen dat het geweldig ellendig is voor ze, stilte laten vallen en als ze denken een voet tussen de deur te hebben, de boodschap keihard herhalen. Wat heb ik jullie nou geleerd?’
Stilte.
Peut: ‘Kom kom, niet zo bedrukt. Jullie weten het best. Wie. Is. Hier. De. Leider?’
Beiden, aarzelend: ‘Wij zijn hier de leider…’
Peut schudt zijn hoofd: ‘Dat kan harder. Kóm op. Dus. Wie is hier de leider?’
‘Wij zijn hier de leider.’
‘Ik versta jullie niet.’
‘Wij zijn hier de leider!’
‘Mooi. Volgende week zelfde tijd. Jullie zijn nog lang niet klaar. Veel te volgzaam.’
Bij het aantrekken van de jassen: ‘En anders gaan jullie toch nog één keertje wel naar Frankrijk?’